Over Centraal Afrika

De vroegste geschiedenis van Congo

Archeologische vondsten tonen dat het gebied van Congo al duizenden jaren wordt bewoond. De vroegste bekende bewoners waren Pygmeeën en Bosjesmannen. Zij werden later verdrongen naar de dichte wouden door Bantoe en Soedanese volken. De Pygmeeën leven nog net als hun voorouders van jacht en visserij en het verzamelen van bladen, vruchten en wortels. De Bantoe kwamen rond 1500 voor de jaartelling. Zij verspreidden zich over de savanne van het zuiden en de jungle van midden Congo. Waarschijnlijk verplaatsten zij zich over de rivier de Lualaba (de bovenloop van de Kongo-rivier). Bij Sanga zijn grote begraafplaatsen gevonden uit de 8e en 9e eeuw. Uit de daar gevonden skeletten blijkt dat de bewoners uit die tijd veel leken op de tegenwoordige Luba. Ook bleken deze verre voorouders uitstekend ijzer en koper te kunnen bewerken. Uit vondsten daterend uit de 12e en 13e eeuw blijkt dat die metalen toen werden verhandeld over een gebied dat zich uitstrekte tot aan de Indische Oceaan. Ook geven de opgravingen een beeld van de sociale organisatie met stamhoofden uit die tijd.

In de loop van de 15e tot en met de 19e eeuw was het gebied van Congo verdeeld over diverse koninkrijken: de Bantoe-koninkrijken van de Kongo, de Luba, de Kuba en de Lunda en het rijk van Msiri en de oostelijke rijken van de Zandé, de Songye en de Mangbetu. Hoewel de Belgische overheersers deze geschiedenis totaal negeerden, is de kennis ervan niet geheel verloren gegaan, doordat de vertellers ze bleven doorvertellen. Nu krijgen ook historici belangstelling ervoor en zijn er boeken over verkrijgbaar (in Frans en Engels).

Eerste contacten met Europeanen

In 1485 verkende de Portugees Diego Cam (of Cao) als eerste Europeaan de monding van de Kongo-rivier. Er werden handelsvestigingen aan de kust opgericht. Het hof van Lissabon en het koninkrijk Kongo onderhielden nauwe contacten, vooral voor de handel in hout, voor en slaven. Door de slavenjacht verzwakte het koninkrijk Kongo en hield op te bestaan. In de 16e eeuw omvatte het machtige rijk van de Baluba de huidige provincies Kivu en Katanga (Shaba). Dit volk leefde van de handel in koper, ivoor en slaven. In Katanga werd later de macht overgenomen door de Balunda die in de 17e en 18e eeuw heersten. In het begin van de 17e eeuw werd het koninkrijk Kuba gesticht, terwijl in het noorden de Azandé en de Mangbétu hun rijken stichtten. Maar door de stammenoorlogen, volksverhuizingen en slavenjacht die de blanken hadden uitgelokt, raakten grote gebieden ontvolkt.

De koloniale periode

Na de ontdekkingen van Henry Morton Stanley (in 1875 – 1879) stuurde de Belgische koning Leopold II een expeditie eropuit om het gebied rond de Kongo-rivier voor hem in te nemen. In die tijd was het niet moeilijk meer om de macht van de plaatselijke koningen over te nemen. In 1885, tijdens de Conferentie van Berlijn, waarop de Europese machthebbers Afrika onderling verdeelden, riep de Belgische koning Kongo uit tot zijn privé-bezit. Met dat doel had Stanley, door de Kongolezen Boula Matari (Rotsenbreker) genoemd, zo’n 450 inheemse stamhoofden contracten laten ondertekenen. Zo werd vastgelegd waar de grenzen van koning Leopolds gebied in Afrika zouden lopen. De koning financierde zelf het vervolg van die expeditie en zorgde ervoor dat hij het geld terugverdiende met zijn Kongo-Vrijstaat. Bedrijven die zich verbonden aan zijn onderneming betaalden hoge prijzen om concessies te verkrijgen. De belangrijkste opbrengsten van de kolonie kwamen van de winning van koper, palmolie en rubber. Helaas waren het niet de Kongolezen die profiteerden van die opbrengsten. Integendeel: onder dwang moesten zij hard werken voor de blanken en kregen daarvoor alleen eten en wat zakgeld. Aan het begin van de twintigste eeuw werd het misbruik nog erger. Tussen 1885 en 1907 werden ongeveer drie miljoen Afrikanen omgebracht door de kolonisten.

Toen de schuldenlast van Kongo te groot begon te worden, gaf Leopold II zonder aarzelen zijn privé-kolonie op. Mede onder druk van de kritiek die hij (in binnen- en buitenland) op zijn beleid kreeg gaf Leopold II in 1908 Kongo-Vrijstaat aan België, werd het Belgisch Kongo en kon de Belgische staatskas opdraaien voor de ontwikkelingskosten van het gebied.

De nieuwe autoriteiten legden wegen en spoorwegen aan en stimuleerden de land- en mijnbouw. Maar het leger van Belgisch Kongo begon ook direct de opstanden te onderdrukken die het gevolg waren van het systeem van dwangarbeid en de introductie van moderne belastingen (in geld i.p.v. in natura). Ook het nieuwe regime buitte Kongo economisch vreselijk uit. Scholing en, in mindere mate, medische verzorging, werden overgelaten aan religieuze missies. Er was geenszins sprake van voorbereiding op onafhankelijkheid. Het Belgische taalconflict werd weerspiegeld in de samenstelling van het Kongolese bestuur: het hogere kader was Franstalig en lagere functies werden bezet door Vlamingen. Geïnspireerd door het Engelse systeem van “indirect rule”, lieten de Belgische kolonisten bepaalde taken over aan dorpshoofden, zoals belasting innen en wegen onderhouden. Voor die taken werden ze betaald door de Belgische staat. Maar zelfs voor Kongolezen met een redelijke opleiding was het praktisch onmogelijk om hogere posten te krijgen.

Onafhankelijkheid en strijd

In 1960 werd het land onafhankelijk met als president KasaVubu. Na vijf jaar strijd greep kolonel Mobutu de macht in 1965 en vestigde, met steun van westerse landen, een dictatoriaal presidentsregime. In de jaren 1970 en 1980 had hij met zijn partij MPR de alleenheerschappij over Zaïre (zoals hij het land noemde). Na een lichte economische vooruitgang dankzij de voorraden delfstoffen (goud, diamanten, koper, uranium, kobalt, enz.) kwam het land steeds meer onder invloed van corruptie en vriendjespolitiek. De levensstandaard van de bevolking daalde steeds verder. Door een georganiseerde belastingvlucht werd het staatsbudget in enkele jaren vijfmaal minder.

In 1990, onder druk van internationale gebeurtenissen (door het verdwijnen van het ijzeren gordijn werd de binnenlandse oppositie sterker), stond Mobutu meer partijen toe en liet een Nationale Conferentie bijeenkomen (1991) om een Grondwet aan te nemen. Ondanks opstanden, muiterijen en politieke crises wist Mobutu het hervormingsproces steeds af te remmen. Pas in 1996 werd een ontwerp-Grondwet aangenomen door de Hoge Raad van de Republiek – Overgangsparlement (HCR-PT). Dit ontwerp (dat voorzag in een federale staat met een parlementaire regering) werd daarna onderworpen aan een referendum.

In november 1996 werd de druk in het oosten van Zaïre (waar meer dan een miljoen Rwandezen in 1994 de genocide in hun land waren ontvlucht) tot een gewapend conflict. Tutsi-rebellen, militair en materieel ondersteund door Rwandese en Oegandese troepen, vielen het Zaïrese leger aan. Zij bezetten al snel meerdere steden in Kivu. Kabila, die in 1964-’65 aan rebellie had deelgenomen en daarna in buurlanden de opstand tegen Mobutu had voorbereid, riep zich uit tot leider van de opstandelingen. In vier maanden tijd wist hij een derde van het grondgebied, waaronder de rijkste mijnstreken, te bezetten. In begin april 1997 sommeerde Kabila Mobutu de macht over te dragen en in juni had hij de hoofdstad Kinshasa ingenomen. De nieuwe regering ging weer de oude naam voor het land gebruiken en noemde het nu “République Démocratique du Congo”.

Even leek er een verbetering op komst, maar het viel tegen. Na de machtsovername laait er voortdurend in verschillende gebieden strijd op. Het grootste deel van het land is al in handen van rebellenlegers, die steun krijgen van verschillende buurlanden. De politieke oppositie, vooral de UDPS van Tshisekedi, bleef zich verzetten tegen Kabila’s regime, zoals voorheen tegen dat van Mobutu. De beloofde democratische verkiezingen blijven uit.

In januari 2001 werd Laurent Kabila vermoord en opgevolgd door zijn zoon Joseph. Er zijn vredesbesprekingen en dialogen gaande, maar het is nog afwachten wat het effect zal zijn. Ook als de rust in het land zou wederkeren zal het nog heel lang duren voordat het alle misère te boven is.